Vogelhuisje

Wanneer ik binnenkom, zie ik dat meneer vanuit zijn kamer naar het vogelhuisje buiten kijkt. Het is stralend mooi weer, maar de temperatuur is nog erg laag. In het vogelhuisje van meneer zit een duifje te eten, aan het raam hangt een voederbakje schots en scheef en bijna leeg.

“Wat een mooi tafereel”, zeg ik tegen meneer. “Ja, mooi hè”, zegt meneer, en hij vervolgt: “soms zitten er zelfs drie duifjes in. Ze hebben het voederbakje aan het raam helemaal scheef laten hangen.” Samen kijken we nog even naar het duifje totdat het wegvliegt. Even later zegt meneer: “ik hoop dat mijn dochter één dezer dagen komt.” “Mist u haar”, vraag ik aan meneer. “Ik zie mijn kinderen graag”, zegt hij, “maar als het vogelhuisje en voederbak niet snel wordt gevuld, dan duurt het best wel een poosje voordat de duiven weer terugkomen.”

“Zal ik het voor u bijvullen?”, vraag ik aan meneer. “Nou als je wilt, heel graag”, zegt hij. Ik ga naar buiten en volg de instructies op die meneer vanuit zijn kamer aan mij geeft. Wanneer ik weer binnenkom vraag ik aan meneer: “Is het gegaan zoals u graag had gewild?” “Ja”, zegt hij “Wat fijn dat je dit voor me hebt willen doen, zo kan ik wat langer genieten van de duifjes.”